Krasnoludek Pablo i jego grzyb.

Pablo, een klein kaboutertje, woonde al zijn hele leven in een rode paddenstoel met witte stippen, midden in het bos. Hij had alles wat hij nodig had: een gezellig bed, een warme kachel, een voorraadkast vol lekkers en een tuintje vol bloemen. Maar Pablo was niet gelukkig. Hij had een grote droom: hij wilde in een écht mensenhuisje wonen.

Hij had vaak mensen zien langslopen in het bos, met hun grote rugzakken en wandelschoenen. Hij had stiekem naar hun huizen gekeken, die zo mooi en groot waren. Hij had gezien hoe ze deuren en ramen hadden, die ze open en dicht konden doen. Hij had gehoord hoe ze muziek maakten, lachten en praatten. Hij had geroken hoe ze heerlijke dingen kookten, die zo anders roken dan zijn paddenstoelensoep. Hij had zich afgevraagd hoe het zou zijn om in zo'n huis te wonen, met al die dingen die hij niet had.

Op een dag besloot hij om zijn droom waar te maken. Hij pakte zijn koffer, trok zijn rode muts over zijn oren en ging op weg naar het dorp. Hij liep urenlang, tot hij eindelijk de eerste huizen zag. Hij was onder de indruk van de kleuren, de vormen en de versieringen. Hij zag huizen met puntdaken, met ronde daken, met platte daken. Hij zag huizen met bakstenen, met hout, met glas. Hij zag huizen met bloembakken, met vlaggen, met lantaarns. Hij wist niet waar hij moest kijken.

Hij zocht naar een huisje dat bij hem paste, maar hij kon er geen vinden. Alle huizen waren te groot, te druk, te lawaaierig. Hij voelde zich verloren en eenzaam. Hij miste zijn paddenstoel, zijn kachel, zijn tuintje. Hij besefte dat hij een fout had gemaakt. Hij wilde terug naar huis.

Hij draaide zich om en rende zo snel als hij kon. Hij hoopte dat zijn paddenstoel er nog was, dat niemand hem had afgebroken of meegenomen. Hij hoopte dat hij nog op tijd was. Hij rende en rende, tot hij weer in het bos kwam. Hij zag de bomen, de bloemen, de dieren. Hij rook de frisse lucht, de aarde, de paddenstoelen. Hij hoorde de vogels, de wind, de stilte. Hij voelde zich weer thuis.

Hij kwam bij zijn paddenstoel aan en zag dat hij er nog stond, precies zoals hij hem had achtergelaten. Hij deed de deur open en stapte naar binnen. Hij zag zijn bed, zijn kachel, zijn voorraadkast. Hij zag zijn droom, zijn geluk, zijn leven. Hij glimlachte en zuchtte van opluchting. Hij was weer thuis.

Hij sloot de deur en kroop in zijn bed. Zijn ogen vielen dicht en hij gleed in een diepe slaap. Geen dromen meer over een echt mensenhuisje, maar nu droomde hij over zijn paddenstoel. En weet je wat? Plotseling drong het tot hem door dat er geen beter thuis was dan zijn eigen paddenstoelenhuisje. Hij was de gelukkigste kabouter in het hele bos! Hij besefte dat een kabouter tevreden moet zijn met wat hij heeft. En dat was hij. En zo leefde hij nog lang en gelukkig in zijn bescheiden paddenstoelenhuisje.